Natuur en recreatie, deel 2: Zit het in de weg? De route als bestemming.


Afgelopen jaar (her)ontdekten veel mensen de Nederlandse natuurgebieden. Hoewel dit niet altijd frictieloos verliep; wij zien vooral kansen om toegankelijkere landschappen, tezamen met grotere natuurwaardes te laten ontstaan. Waar we in deel 1(zie ook dat deel voor de introductie op dit onderwerp) onze inzichten en ideeën deelden over ‘bereikbaarheid’, gaan we in DEEL 2 in op de route als bestemming. Vanuit de overtuiging dat de kansen eerder in ‘de weg’ zitten, dan dat natuur en recreatie elkaar ‘in de weg’ zitten’.


De inzichten zijn afkomstig uit twee studies over de kansen voor ontwikkeling van route gebonden recreatie in regio Utrecht en regio Amersfoort (www.track-landscapes.com).


Spreiden? Niet één pot nat(uur en recreatie)!


We zien in menig rapport of (social)media bericht de oproep tot meer spreiding van recreatiedrukte. Maar dat is eigenlijk een verraderlijk woord; omdat spreiding vaak wordt opgevat als uitsmeren. Terwijl de vraag van spreidingjuist gaat over waar je wilt concentreren; om tot een prettige balans te komen tussen de vele mensen die naar buiten willen, en de rust die zowel de natuur als recreant ook vaak behoeft. Wat ons betreft moet je dan juist verschil maken en niet één pot nat(uur en recreatie) maken. Door drukte te concentreren en zelfs te stimuleren, blijven er rustige plekken over. Drukte is daarom eerder een oplossing dan een probleem. De vraag is meer; welke gebieden zien we als halfvol en welke gebieden zien we als halfleeg?


En daar concentreren we ons op in dit tweede deel.



1. Landelijk-agrarisch gebied. Tien tinten toegankelijkheid.


De afgelopen maanden werd in diverse krantenartikelen genoemd dat recreatie en toerisme sterker kan concentreren op het landelijk/agrarisch gebied, de grootste grondbestemming van Nederland (54%). Hier moeten de fiets- en vooral loopmogelijkheden vergroot worden. Die kans (h)erkennen wij ook.

In de regio Amersfoort (oost) is de Gelderse Vallei het typische halfopen, gemengde doch hoofdzakelijk agrarische gebied. Met gegevens van Strava Metro werd zichtbaar hoe -in vergelijking met de bosgebieden- gelopen wordt. In de weekenden neemt het loopgebruik op vrijwel alle paden van de bekende bosgebieden en waterlopen toe; maar in de Gelderse Vallei niet. Hoewel er in dit gebied wel degelijk gelopen wordt, is het contrast in gebruik met andere gebieden (te) groot.



We zien echter ook dat de aard van die opgave subtieler ligt dan ‘meer loopmogelijkheden’ of ‘meer paden’. Onze conclusie was vooral dat als je echt de moeite neemt om de toegankelijkheid alle paden onder de loep te nemen (wat voor ~98% van recreanten te veel gevraagd is), er eigenlijk al heel veel loopmogelijkheden zijn. Het probleem is vooral dat er sprake is van ‘tien tinten toegankelijkheid’.

Voor heel veel paden geldt dat noch op digitale kaarten, noch terplekke duidelijk is of je er mag lopen. Er zijn paden die in werkelijkheid wel bestaan, maar niet op papier (de kaart). Er zijn paden die op papier bestaan en toegankelijk lijken, maar waar toegangsverboden gelden (erven). Of omgekeerd, waar toegang ogenschijnlijk verboden wordt door (rode) ‘eigen weg’ borden, maar waar je feitelijk gezien wel degelijk mag komen. Sommige paden lijken qua aanblik een private oprijlaan te zijn, maar blijken dit niet te zijn als je zo gek bent om er gewoon eens in te lopen. Dat hebben we in de Vallei maar eens gedaan, en dan kom je op onderstaande ongekend mooie plekken.



Ook de vele autowegen en (naastgelegen) fietspaden verschillen sterk qua beloopbaarheid. Sommige hele rustige autowegen zijn zeer goed te bewandelen of befietsen. Maar je moet op voorhand wel weten welke, en dat weet je niet. Door al die tinten toegankelijkheid geldt voor de recreant dat de inspanning om volledig zicht te krijgen op (loop)mogelijkheden te groot is.


De eerste grote slag van toegankelijkheid is al te maken door de huidige, daadwerkelijke gebruiksmogelijkheden eens grondig en compleet -zowel online als terplekke- in kaart te brengen. Bewegwijzerde (knooppunten)netwerken kunnen hierin ook een mooi ondersteunend middel voor zijn. En, bestaande wegen kunnen beter beloopbaar gemaakt. In de Gelderse Vallei bleek dat er vervolgens slechts op enkele plaatsen nog extra verbindingen zeer waardevol zouden kunnen zijn om rondwandelingen compleet te maken, en dat deel-wandelgebieden en bestemmingen ook aantrekkelijk aan elkaar te verbinden. En dan is het prima als er ook ontoegankelijke zones blijven, waar dat voor natuur of gebiedseigenaren het meest wenselijk is. Zo’n gebied kan vervolgens een steeds mooiere bestemming worden als boeren en andere ondernemers (wederom: zichtbaar!) aanhaken op de routenetwerken; met streekproducten en passende faciliteiten en zitgelegenheden.



De balans tussen rust en gebruiksmogelijkheden kan dan juist bewaard worden door het soort, formaat en aantal faciliteiten die je aan de routenetwerken koppelt. Niet gericht op de grote groep recreanten/toeristen voor wie de (bos)wandeling vooral een excuus is om pannenkoeken te eten, maar de kleinere groep die meer zoekt naar rust, landschappelijke variatie en mooie boeren paden. Door ook extra aan/be-planting tussen boeren percelen te stimuleren zou zowel natuurwaarde als belevingswaarde verder vergroot kunnen worden, dit wordt bijvoorbeeld in de achterhoek onderzocht en gestimuleerd.


2. Verder op de bestaande weg.


Het traditionele ‘wandelen’ en ‘fietsen’ wordt echter ook steeds meer vergezeld door andere recreanten. De sterkst groeiende trend zit vooral in de sportieve recreatievormen. Die trend is al decennia zichtbaar, en wordt versterkt door de coronacrisis. Er werden in de eerste coronagolf circa 200.000 paar skeelers verkocht (tot ze op waren). Hardloopwinkels draaiden top-omzetten; inmiddels is hardlopen goed voor 150-200 miljoen activiteiten per jaar, waarmee het op dezelfde hoogte komt als ‘recreatief fietsen’. En dat recreatieve fietsen bestaat voor een steeds groter aandeel (vóór 2019 al ruim 40%) uit wielrenners. En dan rekenen we mountainbiken nog niet eens mee. Hoewel cijfers ontbreken was dit de laatste 5 jaar onmiskenbaar de snelst groeiende recreatievorm van Nederland.

De kenmerkende overeenkomstigheid tussen die sportieve doelgroepen is dat (in vergelijking met de traditionele wandelaar en recreatieve fietser) de aard en kwaliteit van het pad of de weg zelf, minstens zo relevant is als de (natuurlijke) kwaliteit van de omgeving. Skeeleraars willen vooral fluweel asfalt in rondes zonder kruisingen. Hardlopers willen egale, natuurlijke paden zonder onderbrekingen. Wielrenners willen ruime, overzichtelijke, verkeersveilige wegen. Mountainbikers willen technische singletrails. Veel mtb-routes worden zodanig aan de buitenkant van bosgebieden ontworpen. Gedeeltes langs een N-weg zijn prima, een gave trail is belangrijker. En hoewel een aantrekkelijke omgeving ook voor sportievelingen belangrijk is, doet het er minder toe of dit natura 2000 kwaliteit is. Ze hoeven niet per se diep de natuurgebieden in; elk ‘mooi landschap’ kan een top-bestemmingen zijn, want de route is de bestemming.

Dus; verdiep je in de specifieke pad-behoeften van die doelgroepen, en optimaliseer daartoe juist de paden buiten en aan de randen van de kwetsbare natuurgebieden. In Utrecht stelden we bijvoorbeeld voor om in de toekomst door te zetten in het maken van gerichte beweeglinten, brede rondwegen met voorrang, met alle ruimte voor voetgangers, fietsers en skeeleraars. Uit activity tracking gegevens (in dit geval niet Strava maar Endomondo) het bestaande (8 meter brede!) beweeglint Leidsche Rijn, dé sportieve top-bestemming is van de regio Utrecht.



Die ambitie kan trouwens heel goed gelijk opgaan met het creëren van (mooie) snelfietsroutes (artikel!).


3. Ambitie(:) verbinden.


In aanvulling op artikel deel 1, benadrukken de zojuist uitgelichte mogelijkheden dat ontwikkelkansen -van steeds actiever/sportiever wordende recreatie- vooral op de paden liggen en de verbondenheid daarvan. Komt dat goed uit: ook de natuur bloeit op wanneer gebieden sterk verbonden zijn. Voor zowel natuur als recreatie geldt dat we vooral moeten denken in een netwerk, dat meer is dan de som der deelgebieden. En dat kan juist goed gezamenlijk opgepakt worden. Onderzoek van Alterra concludeert ondermeer dat ecoducten met recreatief medegebruik (ookwel eco-recreaducten) wat betreft het aantal passages van een soort niet per definitie minder goed functioneren dan ecoducten zonder recreatief medegebruik. Er zijn wel subtiele en specifieke invloeden van recreatief mede-gebruik, maar in beperkte mate. Maar dat lijkt ons acceptabel als het omgekeerde ook geldt: nieuwe fietsbruggen en tunnels kunnen ‘breder’ ontwikkeld worden met groene ecologische stroken. In (interessant) Vlaams onderzoek ookwel ‘eco-veloducten’ of ‘bermbruggen’ genoemd.


Rond Utrecht stelden we in de door auto-infrastructuur versnipperde landgoederenzone tussen Zeist, Bunnik, Utrecht en de Bilt, een doorgaand verbonden natuur- en recreatienetwerk voor. Met kansen om bestaande ecologische tunnels toegankelijk te maken voor voetgangers, bestaande fietsbruggen te ver-natuurlijken, en ook nieuwe bruggen te slaan voor zowel natuur, recreatie als functioneel fiets en wandelverkeer. Een aaneengesloten natuur- en recreatienetwerk, waarin routes, natuurgebieden en recreatieve bestemmingen doorgaand verbonden zijn.



Natuur en recreatie: zit het in de weg?


Zitten natuur en recreatie elkaar in de weg? Wij (h)erkennen vooral dat de mogelijkheden, en gedeelde belangen in 'de weg’ zitten! We zien (te?) vaak nadruk gelegd worden op de noodzaak tot ‘meer groen’. Of ‘vlakgroen’ (waarvan vaak onduidelijk blijft wat ermee bedoeld wordt). Zeker in stedelijke regio’s moet de nadruk zeer sterk liggen op verbondenheid; netwerken van natuurgebieden en landschappen, met daarin fijnmazige en kwalitatief fantastische padennetwerken. Maar dan moeten we wel gaan kijken voorbij de ‘eigen grenzen’ van belangen, eigendom, beheer en beleid. En zelfs ook buiten de grenzen van de thema’s recreatie en natuur; verbind met de andere grote uitdagingen van milieu, wonen en klimaat. Wij zien dat alleen gebeuren als ook ‘op grote schaal’, bij Rijk en Provincie, sterke lijnen uitgezet worden. Juist nu is het tijd voor die volgende stap!


Binnenkort deel 3: tijdelijke recreatiekansen...